HET LEGER -- Achtergrondinfo-militairen
Zie ook de special 'Militaria' in het decembernummer van 1972 in het tijdschrift Gens Nostra
Vanaf 1811
Net als bij andere nationale instellingen is het jaar 1811
voor het Nederlandse leger van groot belang. Inlijving bij Frankrijk betekende ook
invoering van de Franse dienstplicht. In beginsel moest nu iedere jonge man een tijd onder
de wapenen komen. In beginsel, want er waren belangrijke uitzonderingen. De belangrijkste
waren:
(1) men kon uitgeloot worden,
(2) als men niet uitgeloot werd en men had er geld voor (over), dan kon men een
plaatsvervanger of remplacent inhuren.
Dit systeem is na het vertrek van de Fransen in 1813 grotendeels gehandhaafd. Daarnaast
waren er al vrijwilligers en beroepsmilitairen. Een aparte groep binnen deze laatste
categorie, die een herinnering vormde aan de periode van voor 1811, waren de buitenlandse
huurlegers (zie hieronder), die tot 1829 deel zijn blijven uitmaken van de Nederlandse
krijgsmacht. Naast deze twee poten was er nog een derde, namelijk de landstorm die bestond
uit leden van plaatselijke schutterijen. Dit was een soort nationale reserve. De
dienstplicht was in deze tijd 5 jaar, daarna was men nog 5 jaar reserve. De feitelijke
dienst was echter belangrijk korter. De meesten waren maar slechts een deel van het eerste
jaar letterlijk onder de wapenen, daarna was men reserve. Bewijzen van aan de
militieplicht voldaan te hebben of daarvan te zijn vrijgesteld vindt men terug in de
huwelijksbijlagen. Daarnaast is de administratieve weerslag van dit systeem te vinden in
de gemeentelijke militieregisters. Het systeem van plaatsvervangers werd in 1898
afgeschaft. In de loop van de 20e eeuw zou de dienstplichtperiode steeds verder
teruglopen, waar echter wel een intensivering tegenover stond.
In de huwelijksbijlagen treft men nogal eens aan dat de man niet in militaire dienst hoefde, omdat hij niet was goedgekeurd. Lia Kleinherenbrink [mei 2007: de links op deze site werken helaas niet en een ander adres is onbekend; gebruik voorlopig de pagina's van de Waybackmachine] heeft alle nummers uitgewerkt (reglement van 1862 [zie pagina Waybackmachine]) die op deze certificaten als lichaamsgebreken worden aangegeven (reden van afkeuring), zodat u kunt opzoeken wat er aan de betreffende man 'mankeerde'. Dit reglement van 1862 heeft betrekking op de lichting april 1862 tot mei 1871. Momenteel wordt door haar gewerkt aan de lijst met lichaamsgebreken genoemd in het reglement van 1871 [zie pagina Waybackmachine]; ook andere informatie [zie pagina Waybackmachine] aan omtrent militairen treft u aan op haar site.
Vòòr 1811[
top]Vòòr 1811 kende Nederland, net zoals de meeste staten geen dienstplicht. Vanaf het einde van de 16e eeuw bestond het leger geheel uit beroepssoldaten, die in twee categoriën in te delen zijn: garnizoenen die permanent in versterkte plaatsen lagen en huurlingenlegers die bij gelegenheid van oorlog(sdreiging) ingehuurd werden. Na de strijd werden ze weer afgeschaft en zorgden dan nogal eens voor onrust op het platteland, door daar als bedelaars, dieven en rovers rond te zwerven. Als men bedenkt dat deze legers niet alleen uit mannen bestonden, maar ook een tros vrouwen en kinderen hadden, zal het duidelijk zijn dat zich hier genealogische problemen zullen voordoen. Inschrijvingen van dopen van kinderen van zwervende soldaten vindt men soms in de doopboeken van dorpen. Er staat dan bij vermeld dat de vader soldaat is (rk miles) of zwervende (vagus). Vaak is dit het eindpunt van een genealogisch onderzoek. Bij de garnizoenssoldaten is het vaak wat beter gesteld. Van soldaten die lidmaat waren van de Nederduits Gereformeerde kerk (tegenwoordig de Hervormd kerk) is de gang langs de Nederlandse en Belgische (barrièresteden) garnizoenssteden over het algemeen goed te volgen. Er waren ook roomse regimenten die hun eigen aalmoezeniers hadden. De bewegingen van de legers zijn uitputtend beschreven door Ten Raa (F.J.G. ten Raa en F. de Bas, Het Staatse leger 1568-1795). Van af omstreeks 1750 zijn nogal wat gegevens over individuele beroepsmilitairen bewaard gebleven. Deze militaire stamboeken zijn te raadplegen in het Algemeen Rijksarchief in Den Haag. De heer Wolters heeft in veel plaatsen in Nederland soldatenhuwelijken genoteerd en daar aparte lijsten van gemaakt. Over Schotse huurlingen is een bekende publicatie van MacLean (1574-1665). Online staat een handig overzicht van de regimenten en hun legerplaatsen 1715-1795 (kies voor Regiment of Garnizoen), afkomstig uit het handige boekje van Ringoir, Vredesgarnizoenen van 1715 tot 1795 en 1815 tot 1940.Middeleeuwen [top]
De inname van Maastricht door de hertog van Parma 1579 (anoniem ca. 1600)
(Uit: J. ter Haar, Geschiedenis van de Lage Landen, Weesp, 1985)
In de middeleeuwen werd het leger gevormd door de ridderstand, leenmannen en hertogelijke dienaren, versterkt met stedelingen en dorpelingen. De ridderstand was tamelijk ongedefinieerd. Het laagste van de adel en de top van de burgers en de boeren: een soort overgangsklasse dus. Ook over middeleeuwse strijdgroepen valt soms wel informatie te vinden, b.v. in boetes voor mensen die niet opkwamen.Overzee [top]
Naast een Nederlands leger waren er ook overzeese legers. Het bekendste daarvan is ongetwijfeld het Koninklijk Nederlands Indische Leger. Deze legermacht is in 1830 opgericht. Het KNIL verving het particuliere leger dat de VOC in de 17e en 18e eeuw in 'Indië' had. Het KNIL had in de 19e eeuw enigszins het karakter van een vreemdelingenlegioen. Het was een toevluchtsoord van allerlei mannen die het om één of andere reden niet met het leven in de Europese samenleving konden vinden. Bekend is de keuze tussen vrijheidsstraf en dienstnemen in Indië. Aanmonstering gebeurde in het koloniaal Werfdepot te Harderwijk, niet bepaald tot genoegen van de inwoners. Het KNIL ging echter niet zover als het Franse Vreemdelingenlegioen waar de recruut ook een nieuwe identiteit kreeg. De informatie over het KNIL is uitstekend samengevat op de website van Ed Hupkens. Verder had Nederland ook militairen in de West en in andere kolonies en nederzettingen in Afrika, Azië, Noord- en Zuidamerika. Van een aantal van deze plaatsen zijn archieven of andere blijken van Nederlandse aanwezigheid (grafstenen, familienamen) bewaard gebleven.
Zouaven waren vrijwilligers die circa 1860-1870 aan de zijde van de Paus vochten tegen de troepen van Garibaldi in de strijd om de Kerkelijke Staat en Rome. Uit vrijwel iedere katholieke plaats in Nederland en België kwamen wel een paar zouaven.